Het was zo’n dag die gewoon een beetje saai was. Iedereen heeft dat weleens. Het komt voor. En om te voorkomen dat zo’n dag oeverloos wordt, maak ik er dan iets leuks van. Eigenlijk gewoon dat wat iedereen doet. Ik deed een oordopje in mijn oor. Tijd voor verandering. Hoog tijd voor een ontspannen podcast. Eén oortje in, de ander vrij voor de omgeving, podcast aan en de fiets op, richting huis. Het duurt niet lang of ik weet zeker dat dit een uitstekend idee was. Voor de oplettende voorbijganger moet het vast een leuk gezicht zijn geweest, want ik kan regelmatig een grijns niet onderdrukken. Dit luisterboek van Paulien Cornelisse is precies goed. Met de kantooromgeving van een vorige baan kan ik me goed inleving in de verhalen van De Verwarde Cavia.
Wat mij onderweg vooral treft, is niet eens hoe herkenbaar dat kantoor is. Het is dat ik ineens weer denk aan al die merkwaardige dingen die mensen tijdens hun werk heel normaal vinden.
Dat is misschien wel het leukste aan werken. Jarenlang ergens rondlopen zonder mezelf af te vragen waarom iedereen op dinsdag per se om tien uur bij dezelfde koffiemachine staat, waarom iemand zegt dat we iets even moeten ‘aanvliegen’ en waarom een collega bij een vergadering nadrukkelijk zegt dat een idee ‘we parkeren’.
Op kantoor had ik ooit een collega die werkelijk overal een overleg voor nodig had. Niet omdat hij lui was. Nee. Integendeel. Hij was buitengewoon druk met druk zijn. Er werd vergaderd over de vergadering, er werd na afloop nog even afgestemd en daarna volgde meestal een mail met de belangrijkste punten uit de afstemming.
Ik zat eens naast hem toen hij zei: ‘Zullen we dit even bilateraal trekken?’
Bilateraal. Dat klinkt alsof er twee landen bij betrokken zijn. Ofzoiets.Terwijl het gewoon betekende: zullen wij hier met z’n tweeën over praten? Er zijn mensen die graag met moeilijkere woorden spreken. Voor ik antwoord kan geven schieten twee mensen in de lach. Het zijn collega’s aan de andere kant van de plant. Het is altijd rumoerig in de kantoortuin. “Ja, doe maar een bilatje.” Wat maken moeilijke woorden ook uit eigenlijk? Gewoon gezellig meedoen.
Bij een praktisch beroep zou zo’n gesprek waarschijnlijk anders verlopen.
Daar staat geen tafel vol laptops met een schaal koekjes tussen de mensen. Daar staat iemand met zijn handen in zijn zij te kijken naar een probleem dat eigenlijk gisteren al opgelost had moeten zijn. Omdat de manager dat vindt.
‘Wie heeft hieraan gezeten?’
Niemand zegt iets. Natuurlijk niet. Niemand weet het dan ook. Behalve de persoon die het gedaan heeft. En die zegt meestal niets. Ook een vorm van lef hebben. Want als het daarna naar buiten komt, dat híj aan de knoppen heeft gezeten, wordt het uitleggen alleen maar lastiger. Tja. Het leven is immers vol risico’s.
En het is ook een vorm van vergadering, bedacht ik later. Alleen zonder notulen. Zonder discussies over papierverspilling en ‘dat dit toch ook wel dubbelzijdig gedrukt had kunnen worden!’.
Ik moet daarbij denken aan een man die ik eens op een bouwplaats zag staan met een collega. Er was iets mis met een nieuwe deur. Precies het soort probleem dat belangrijker wordt naarmate er meer mensen naar kijken. En het soort probleem waar dan ook vaak over gezwegen wordt. En de gebruiker 5 jaar later zegt: “Welk bedrijf heeft deze deur hier geplaatst? Daar hebben ze ook echt niet naar gekeken.” Nu wel. De een wees, de ander keek. Er werd kort overlegd en vervolgens kwam er een oplossing die waarschijnlijk nergens in een projectplan had gestaan. Ook een oplossing dat weer wat extra geld kost.
‘Dat kan nog wel.’ Aha. Toch geen extra kosten. Ook een keuze.
Dat zijn vier woorden die op veel werkvloeren een verrassend lange geschiedenis hebben: Dat kan nog wel.
Op kantoor betekent ‘dat kan nog wel’ soms dat een printer al drie weken kuren heeft. Drie weken mopperen. Drie weken lang prutsen om die beleidsstukken, nieuwe dossiertoevoegingen of nota’s tóch in een mapje te kunnen stoppen. Op een andere werkplek kan het betekenen dat een stuk gereedschap eigenlijk allang vervangen had moeten worden, maar het ding het nog steeds doet. Dus waarom weggooien? Wel met het gevolg dat er op afdeling inpak 2 collega’s zich suf zoeken naar dat ding, dat inmiddels door de afdeling uitpak is gejat.
Daar zit geen groot vraagstuk achter. Mensen zijn gewoon zo. Dat is het boeiende aan mensen. Als iets werkt, laten we het graag werken. Ook als het werkt met een stukje tape, een omweg of een lichte vorm van zelfbedrog. Het meest fascinerende is, dat we het altijd begrijpen als wij er zelf in betrokken zijn, maar het oervervelend vinden als de onbekende persoon het doet.
Op de werkvloer waar ik nu in gedachten rondloop, is het inmiddels lunchtijd.
Een paar mensen zitten buiten. De boterhammen komen tevoorschijn. Bammetjes. Er wordt niet gevraagd hoe iedereen ‘in de race zit’. Er wordt überhaupt weinig gevraagd. Alle gebogen hoofdjes laten zien dat er op dat schermpje veel te bekijken valt. Een Formule-1 race, nieuws, game-trucs of glimpjes met updates vanuit de high-tech.
‘Heb je die klus nog afgekregen?’ ‘Net.’
Dat is het volledige gesprek die pauze.
Onderweg naar de werkvloer gaat het twee minuten later gaat het over voetbal, het weer en iemand die een bestelling voor vrijdag heeft doorgegeven die volgens de een volkomen verkeerd is begrepen. Ha. De sfeer is terug.
Op kantoor kan dezelfde lunch een stuk ingewikkelder zijn. Vaak een soort elegante vergadering. Daar bestaat de mogelijkheid dat iemand vraagt of u nog even wilt aansluiten. Dat ‘even’ is belangrijk. Een kwartier wordt al snel veertig minuten. Vervolgens is het de meest fanatieke collega die roept dat de tijd allang om is en staat gehaast op van de tafel met kruimels. De rest antwoord non-verbaal.
Dat geldt trouwens ook buiten het kantoor.
Een monteur kan een klant aankijken op een manier die zegt: ik heb precies begrepen wat u bedoelt, ook al heeft u zojuist gezegd dat het ‘iets met dat ding daarachter’ is. De klant denkt dat hij duidelijk is geweest. De monteur weet dat hij straks beter zelf even gaat kijken. Klanten weten ook niet altijd hoe het werkt.
Beiden spelen hun rol.
Zou dat zijn waarom De Verwarde Cavia zo gemakkelijk binnenkomt? Het boek van Paulien Cornelisse gaat over een cavia die op een communicatieafdeling werkt, maar de humor zit niet alleen in kantoren. De situaties draaien om mensen die proberen zich staande te houden in een omgeving waarin iedereen doet alsof de regels volkomen logisch zijn.
Dat is herkenbaar.
Niet omdat het hoofdpersonage een cavia is. Dat zou de andere mensen toch tekortdoen. Het is maar één cavia.
Maar iedereen is wel een soort cavia. Een werkplaats heeft zijn eigen cavia’s. Een magazijn ook. Een winkel, ziekenhuis, keuken, school en garage ongetwijfeld eveneens. Alleen heten de beesten daar anders en hebben ze andere manieren om elkaar het leven aangenaam ingewikkeld te maken.
Ik fiets verder en luister nog steeds met één oor.
Dat ene vrije oor vind ik inmiddels wel prettig. Ik hoor het verkeer, iemand die achter mij belt, een scooter die iets te enthousiast optrekt. In mijn andere oor zit ondertussen de kantoorwereld.
En ineens denk ik aan die collega van vroeger. Misschien zit hij nu ook op de fiets.
Misschien heeft hij inmiddels een andere baan, een andere afdeling en een goedwerkende koffiemachine. Misschien zegt hij nog steeds ‘laten we dit parkeren’. Misschien heeft hij inmiddels ontdekt dat het ding dat ooit geparkeerd werd, nooit meer wordt opgehaald.
Dat zou kunnen.
Maar morgen begint er weer ergens een werkdag. Iemand zet koffie. Iemand zoekt een schroevendraaier – of ‘leent’ er eentje. Iemand opent een mailbox met 46 nieuwe berichten – met een zucht.
En ergens zegt iemand waarschijnlijk:
“Dat kan nog wel.”