Ouder worden is van iedereen, iedere dag weer, tot de dood er op volgt. Da’s geen sombere bespiegeling, dat is wat het is, daar kan ik ook niets aan veranderen. Ouder zíjn, dat is waar het om gaat. Het ‘zíjn’ doet al vermoeden dat het iets existentieels is en dat is het ook.
Vooral in de sport, tennis in mijn geval, krijg ik regelmatig de vraag, “mag ik vragen hoe….”. Ja dat mag. De vraag alleen al, alsof er een risico bestaat dat er een beerput opengetrokken wordt. De clichés zijn talrijk, nog meer in het ‘denken’ van mensen dan dat er op tegeltjes gezet is.
Terug naar het tennissen. De vraag wordt gesteld als zij (ik speel meestal een single wedstrijd) verloren hebben. Valt mijn leeftijd mee, dan valt de nederlaag ook wel mee. Is 70 het antwoord, dan zie je gezichten betrekken en volgt meestal de uitspraken “knap hoor”, of “dan bent u behoorlijk fit voor uw leeftijd”. Hebben zij gewonnen, heeft het antwoord een ander effect. De reacties zijn weliswaar hetzelfde, “knap” en “fit” en er is berusting in de gezichten te lezen, want dáár mag je niet van verliezen, toch?







